Paard en wagen in Brabant
Geschiedenis
Lange tijd konden zich slechts de wat rijkere boeren een paard
veroorloven. De meeste boeren gebruikten ossen voor voor het zware werk
op de boerderij. Later waren er boeren die een "luuks" paard
en een "Bels" haden

Omgang
met paarden
Paarden worden van
de linkse kant benaderd (voor de kijkers rechts!). Een ruiter bestijgt
het paard van links en de voerman gaat aan de linkse zijde van de kar.
Bij het geven van aanwijzingen, is "haar" (een verbastering
van "hier") links en "hot" is rechts. Wie kent er
niet het spreekwoord van hot naar haar. De linkerkant werd ook vaak de
"bij de handse kant" genoemd.
Een paard is in Brabant beter
bekend als 'n pèrd (korte e). Meestal heet het pèrd dan
Dikke, Vos, Bruin of Bles.Een paard en wagen worden door de voerman gevaren,
niet gereden. Langzaam varen is "stapvoets" en in draf heet
het "jagen" (verl. tijd: joeg). Bij trekschuiten liep het paard
op het zgn. jaagpad.
Het paard op gang brengen met
"ju!" (u als in put en hut), meestal in de vorm van "ala
ju!" of "ju vort!". Stoppen daarentegen met "huuj"
(uu als in stuur) of "Hoow, huuj!". Terugzetten van paard en
wagen, ook kruien genoemd, met "terug!" vaak in de vorm van
"trug!" of "truug!". Met "voetje!" of "voet
op!" kan een "zeeg" (= mak) paard ertoe bewogen worden,
een been te lichten zodat de hoef bekeken of verzorgd kan worden. Een
goed voerman gebruikt veel "troetelwoordjes", zoals bv. "braaf",
"mooi" en "stil" waarmee het dier op z'n gemak gesteld
wordt. Een nukkig paard is "steeg".
Wagens
Voordat de nieuwere
"platte wagens" in zwang kwamen, werden in Brabant twee wagentypes
gebruikt: de erdkèr en der wat grotere hoogkèr. Veel boerderijen
beschikten over beide voertuigen.
De erdkèr
diende voor het vervoer van stalmest, aarde, strooisel en het bijeenrijden
van aardappelen, mangels en andere vruchten. In het algemeen voor werk
waar geen al te grote laadruimte voor nodig was. De laadruimte kon, in
tegenstelling tot die van de hoogkar, te "heuj" gestoten (gekiept)
worden zonder dat men het paard moest uitspannen. Daardoor kon de voerman
zonder verdere hulp, de hele lading in één keer lossen.
Dit met een mechaniek dat op het eerste oog er zeer eenvoudig uitziet
maar voor die tijd toch tamelijk ingenieus geweest moest zijn.
De
hoogkèr werd bij grotere ladingen gebruikt zoals
bij het binnenhalen van graan en hooioogsten, het afleveren van vrachten
aardappelen, mangels, wortels enz. en niet te vergeten het vervoeren van
kalveren en varkens. Daarbij was het een erezaak voor de voerlieden de
kar zo hoog en breed mogelijk te laden, met een halfvolle kar door het
dorp was een schande. Bestond de lading uit oogstkoren of hooi, dan heette
dat "de raauwe kèr". Een jong paard was nog niet vol
getuigd zolang het niet met goed gevolg een raauwe kèr thui gebracht
had. Bij het laden van losse waar, werden twee aparte hekken gebrukt:
de voorste en achterste hooihekken samen met de "wisboom" en
twee touwen: "het veurste en achterste kèrzeel". Bij
het transport van varkens of kalveren, werd het "peelhek" tegen
de voorkant van het "kèrbeurt" gebonden, de achterkant
van de laadruimte werd afgesloten door de "heubeurt". Bij regen
werden de repen op de borden gestoken en daarover ging dan de huif, een
grauwe bij vrachtgoed.
Daarnaast
diende de hoogkèr ook als "boerenkoets" voor het eigen
volk maar ook voor bv. het afhalen van de pastoor (bij een bediening of
doop) en nieuwe buren. Ook voor de laatste gang werd de hoogkar ingespannen.
Bij personenvervoer werd het "kèrkisje" gebruikt, daarover
kwam dan een "pulling" (geruite peluw). Het geheel diende dan
als zitgelegenheid voor de notabelen en het vrouwvolk ("vrullie").
Bij personentransport werd zonodig vaak een witte huif over de grauwe
gebonden. Bij feestelijk gelegenheden werd een versiering gemaakt van
groen, en papieren bloemen aan de repen gehangen.
Reed de voerman
mee, dan was diens plaats zo goed als altijd vooraan op de schei. Een
goed en volledig uitgeruste hoogkèr had een "houweel"
aan de bij-de-handse kant langs het kèrbort en een "rosdoek"
onder de voorste karhelft. Werd de hoogkar uitgespannen, dan werd voor
onder de "veurschei" de "madam", vaak ook "stelt"
genoemd, neergelaten. Tegen het "heuj goan" (naar achteren kiepen)
werd onder de "achterschei" eveneens een stelt geplaatst.
Een
hoogkar werd gebouwd door de raaimaker in samenwerking met de smid. De
karren hadden een laadgewicht van ca. 1000 kg, vanaf 1900 kregen de karren
meer laadgewicht. Omstreeks 1920 werd een nieuwe boeren hoogkar op een
laadvermogen van 2000 kg berekend terwijl een goede voermanskar een vracht
van 3000 kg verdroeg. Daardoor moesten ook het ijzerwerk aanzienlijk zwaarder
zijn: bij een laadvermogen van 2000 kg hadden de wielrepen ca. 150 kg
en de as 70 kg. De bouw van de as en de wielbussen was doorslaggevend
voor het "speuren" (sporen) van de wagen en dat zij goed "schoot".
Werd aan één van beide voorwaarden niet voldaan, dan liep
de kar niet goed. Als er "schot in de kar" zat (ned. dokkeren),
was dat op grote afstand te horen en een bewijs, dat de smid zijn vak
verstond. Het dokkeren onstond door de speling van ca. 1 cm tussen de
as en de wielbussen. De as werd bewust ligt krom gemaakt zodat de bovenkant
van de wielen iets verder (ca. de breedte van een reep) uit elkaar staan
als de onderkant.
De
oudere types karren hadden een velgbreedte van 5 cm. Ca. 1860 kwam er
een provinciale wet met het voorschrift, dat de velgen van niet-geveerde
voertuigen minimum 9 cm breed moesten zijn. Veel boeren lieten daarop
bestaande wielen die niet an de voorschriften voldeden met klampen verbreden
en van niewe velgen voorzien. Bij de oudere wielen (voor ca. 1850) stonden
de "speken" (ned. spaken) enigszins naar buiten zodat de velg
gelijk stond met de buitenkant van den "domp" (ned. naaf). Een
wiel voor een hoogkèr heeft 14 spaken en 7 velgstukken, dat voor
een erdkèr 12 spaken en 6 velgstukken. De velgstukken vormen samen
"den omloop". Het hout voor de wielen moest ca. 8 of 12 jaar
gedroogd zijn.
Ca. 1900
verrekende de smid de boer ongeveer 100 gulden voor het werk aan de kar,
inkl. de levering van al het ijzer.
Paardentuig
Het eerste stuk tuig waarmee een paard kennis maakte was de halster,
voor 1900 werd er geen bit (of gebit) gebruikt. Het dier werd met "de
stang" in bedwang hehouden. Daarna kwamen "haam", "gordel"
en "licht". Kort na 1900 kwam ook de "broek" (ook
boks genoemd) in gebruik zodat het terugzetten gemakkelijker werd.
Strengen en en hachten zijn
in de loop van de tijd wel verzwaard maar overigens hetzelfde gebleven.
De essenhouten "handklippel" ("zwing") en "evender"
(evenaar) zijn later door metalen equivalenten vervangen.
Bronvermelding:
de meeste gegevens komen uit het boek: "Oud-Brabants Dorpsleven"
van Bernard van Dam. Uitgegeven door "De stichting Brabants Heem"
1972. ISBN 90 70 197 02 2
|